Op reis: proviand voor onderweg
Wij lezen: Pslam 120
Met psalm 120 beginnen de optochts- of bedevaartspsalmen, ook wel liederen Hammaäloth genoemd.
Tegen de donkere achtergrond van de situatie waarin de psalmdichter zich bevindt, wordt zijn
verlangen naar het licht van Jeruzalem zo duidelijk omschreven. We horen aan het begin van deze liederen
de woorden van Psalm 42 doorklinken. "Evenals een moede hinde naar het klare water
smacht" En "mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des Heren"Ps 84.
David voelt zich ellendig. Hij verblijft als een vreemdeling onder vijandige mensen. Hij zoekt vrede,
maar zij willen strijd. Ook al gaat hij zachtmoedig en geduldig met hen om, zij op hun beurt zijn
leugenachtig, twistziek en onverdraagzaam. Ze proberen hem te verwonden met hun brandende pijlen
van bedrog en leugens. Ze beschuldigen hem vals, ook al treedt David hen met vrede tegemoet.
David voelt zich niet thuis in de tenten van de vijanden van de HERE. Het brengt hen in benauwdheid.
Zijn gebed is daarom tot de HERE, bij wie Hij schuilt en van wie Hij alle verlossing verwacht.
Wij als kinderen van God herkennen die situatie van David. Wel in de wereld maar niet van de wereld.
De vijanden van Jezus hebben niet nagelaten om kwaad van Hem te spreken, zo zullen ze
ons ook niet sparen.
Een mens kan zich ontmoedigd voelen, dat het je wel eens bang te moede wordt.
Ook dan mag je oog alleen op God gericht zijn. O HERE, verlos mijn ziel.
David gelooft en weet zeker dat hij hier op aarde niet thuis hoort. Zo mogen ook wij weten dat wij,
door de overwinning van Christus op duivel en dood, op reis zij naar de lichtstad met zijn
paar'len poorten, naar het nieuwe Jeruzalem.
Hij geeft ons proviand voor onderweg: Zichzelf
KvK nr. 08124725
Van deze tekst is een boekje beschikbaar
NAAR STARTPAGINA